Broeders van O.-L.-V. Van Barmhartigheid

Uitgebreid overzicht wiskundeprogramma's

Eerste klas      Tweede klas        Derde tot en met vijfde klas        Zesde klas
WISKUNDE
- Naam van een programma
- Omschrijving van een programma

Programma-overzichten          Hoofdpagina

e e r s t e    k l a s
01. Tienreeks
01. Getallen tot 10 ordenen van minder naar meer en omgekeerd : < en >
      plus getallenas
     1. Getallen ordenen van minder naar meer.
     2. Getallen ordenen van meer naar minder.
     3. Getallen op het tienveld vinden.
     4. Getallen ordenen van minder naar meer met het symbool <.
     5. Getallen ordenen van meer naar minder met het symbool >.
     6. Getallen ordenen van minder naar meer en omgekeerd met de symbolen < en >.
     7. Bij één of twee getallen tot 10 de getallen ervoor, erna of ertussen invullen.
     8. Op de aangeduide plaatsen op de getallenas de getallen invullen met aandacht
         voor de richting.
1.1  tellen en terugtellen met eenheden.
1.5 natuurlijke getallen ordenen en op een getallenlijn plaatsen;
1.6 de symbolen < > in bewerkingen noteren en hanteren

02. Splitsingen tot 10
02. Getallen tot en met 10 splitsen : splitsgetal links of rechts of
      beide splitsgetallen invullen
     1. Splits getal 4.
     2. Splits getal 5.
     3. Splits getal 6.
     4. Splits getal 7.
     5. Splits getal 8.
     6. Splits getal 9.
     7. Splits getal 10.
     8. Splitsingen tot 10.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
       optellen tot 10

03. Optellen tot 10
03. Optellen tot 10 met verzamelingen, rij plaatjes, getalbeelden,
      splitsingen en reeksen
      1. Plus tot 10 met verzamelingen.
      2. Plus tot 10 met een rij plaatjes.
      3. Plus tot 10 met getalbeelden.
      4. Plus tot 10 met splitsingen.
      5. Plus tot 10 met reeksen.
1.3   de betekenis kennen van: optellen en som
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        optellen tot 10

04. Aftrekken tot 10
04. Aftrekken tot10 met verzamelingen, rij plaatjes, getalbeelden, splitsingen en reeksen
     1. Min tot 10 met verzamelingen.
     2. Min tot 10 met een rij plaatjes.
    3. Min tot 10 met getalbeelden; aftrekker en verschil van plaats wisselen.
    4. Min tot 10 met getalbeelden; optelling als proef.
    5. Min tot 10 met splitsingen.
    6. Min tot 10 met reeksen.
1.3   de betekenis kennen van: aftrekken en verschil
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij aftrekken tot 10

05. Plus en min tot 10
05. Met termen, aftrektal, aftrekker, som, verschil en bewerkingssymbolen
      optellingen en aftrekkingen samenstellen
     1. De termen en bewerkingssymbolen van een gegeven som op de juiste plaats zetten
        en daarna de termen omwisselen.
     2. Met de uitkomst vooraan termen en bewerkingssymbolen van een gegeven som
        op de juiste plaats zetten en daarna de termen omwisselen.
     3. Aftrektal, aftrekker en bewerkingssymbolen van een gegeven verschil op de
        juiste plaats zetten en daarna aftrekker en verschil omwisselen.
     4. Met de uitkomst vooraan aftrektal, aftrekker en bewerkingssymbolen van een
        gegeven verschil op de juiste plaats zetten en daarna ...
     5. Met drie gegeven getallen vier optellingen en vier aftrekkingen uitvoeren
        door telkens op de passende getallen te klikken.
     6. Met drie gegeven getallen vier optellingen en vier aftrekkingen uitvoeren
        door telkens op de passende bewerkingssymbolen te klikken.
1.3   de betekenis kennen van: optellen, aftrekken, som, verschil,
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        optellen en aftrekken tot 10

06. Twintigreeks
06. Getallen tot 20 ordenen van minder naar meer en omgekeerd :
     <, >, getallenas, T en E, 20-veld
     1. Getallen ordenen van minder naar meer.
     2. Getallen ordenen van meer naar minder.
     3. Getallen op het twintigveld vinden.
     4. Getallen ordenen van minder naar meer met het symbool <.
     5. Getallen ordenen van meer naar minder met het symbool >.
     6. Getallen ordenen van minder naar meer en omgekeerd met
        de symbolen < en >.
     7. Bij één of twee getallen tot 20 de getallen ervoor, erna
         of ertussen invullen.
     8. Op de aangeduide plaatsen op de getallenas de getallen
         invullen met aandacht voor de richting.
     9. Bij een gegeven getal tot 20 het aantal tientallen of
         eenheden intikken.
1.1 tellen en terugtellen met eenheden.
1.5 natuurlijke getallen ordenen en op een getallenlijn plaatsen;
1.6 de symbolen < > in bewerkingen noteren en hanteren

07. Vergelijken tot 20
07. Bij vergelijkingen zoals 3 + 7 ? 10 of 10 > ? + 6 de ontbrekende term
      of het vergelijkingssymbool invullen
     1. Vergelijkingen zoals 7 + ? = 10 --- 7 + ? < 10 --- 7 + ? > 10.
     2. Vergelijkingen zoals ? + 7 = 10 --- ? + 7 < 10 --- ? + 7 > 10.
     3. Vergelijkingen zoals 7 + 3 ? 10 --- 7 + 1 ? 10 --- 7 + 5 ? 10.
     4. Vergelijkingen zoals 10 = 7 + ? --- 10 < 7 + ? --- 10 > 7 + ?.
     5. Vergelijkingen zoals 10 = ? + 7 --- 10 < ? + 7 --- 10 > ? + 7.
     6. Vergelijkingen zoals 10 ? 7 + 3 --- 10 ? 7 + 2 --- 10 ? 7 + 6.
1.6    de symbolen = < > in bewerkingen noteren en hanteren
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
       bij optellen tot 10

08. Optellen tot 20 zb
08. Optellingen zoals 15 + 3 en 3 + 15 uitvoeren met en zonder
     getalbeelden en in reeksen
     1. Optellingen zoals 15 + 3 met getalbeelden.
     2. Optellingen zoals 3 + 15 met getalbeelden.
     3. Optellingen zoals 15 + 3 zonder getalbeelden.
    4. Optellingen zoals 3 + 15 zonder getalbeelden.
    5. Optellen tot 20 zonder brug met een reeks van 40 oefeningen
       met tussenstappen.
    6. Optellen tot 20 zonder brug met een reeks van 40 oefeningen
       met tijdopname.
1.3   de betekenis kennen van: optellen en som
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
      bij optellen tot 10

09. Aftrekken tot 20 zb
09. Aftrekkingen zoals 18 - 3 en 18 - 13 uitvoeren met en zonder
      getalbeelden en in reeksen; ook A - v = a
     1. Aftrekkingen zoals 18 - 3 met getalbeelden.
     2. Aftrekkingen zoals 18 - 13 met getalbeelden.
     3. Aftrekkingen zoals 18 - 3 = 15 en 18 - 15 = 3 met getalbeelden;
         aftrekker en verschil omwisselen.
     4. Aftrekkingen zoals 18 - 3 zonder getalbeelden.
     5. Aftrekkingen zoals 18 - 13 zonder getalbeelden.
    6. Aftrekken tot 20 zonder brug met een reeks van 40 oefeningen
        met tussenstappen.
     7. Aftrekken tot 20 zonder brug met een reeks van 40 oefeningen
        met tijdopname.
1.3   de betekenis kennen van: aftrekken en verschil
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
       bij aftrekken tot 10

10. Optellen tot 20 mb
10. Optellingen zoals 8 + 5 en 5 + 8 uitvoeren met en zonder getalbeelden
      en in reeksen; commutativiteit toepassen
      1. Optellen tot 20 met brug zonder verwisseling van de termen en ondersteund
        met getalbeelden.
     2. Optellen tot 20 met brug met verwisseling van de termen en ondersteund
         met getalbeelden.
     3. Optellen tot 20 met brug zonder verwisseling van de termen en zonder
        getalbeelden.
     4. Optellen tot 20 met brug met verwisseling van de termen en zonder
        getalbeelden.
     5. Optellen tot 20 met brug met een reeks van 40 oefeningen met tussenstappen
         en zonder getalbeelden.
     6. Optellen tot 20 met brug met een reeks van 40 oefeningen zonder tussenstappen
         en met tijdopname.
1.3   de betekenis kennen van: optellen en som
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
       optellen tot 10
1.14 op concrete wijze de volgende eigenschappen van bewerkingen toepassen:
       van plaats wisselen en splitsen

11. Aftrekken tot 20 mb
11. Aftrekkingen zoals 13 - 8 uitvoeren met en zonder getalbeelden en in reeksen;
      ook A - v = a en v + a = A
      1. Aftrekken tot 20 met brug met getalbeelden.
      2. Aftrekken tot 20 met brug met getalbeelden en optelling als proef.
      3. Aftrekken tot 20 met brug met getalbeelden en aftrekker en verschil omwisselen.
     4. Aftrekken tot 20 met brug met schema.
     5. Aftrekken tot 20 met brug met tussenstappen.
     6. Aftrekken tot 20 met brug met een reeks van 40 oefeningen met tussenstappen.
     7. Aftrekken tot 20 met brug met een reeks van 40 oefeningen met tijdopname.
1.3   de betekenis kennen van: aftrekken en verschil
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij aftrekken tot 10
1.11 inzicht in de relaties tussen de bewerkingen.
1.14 op concrete wijze de volgende eigenschappen van bewerkingen toepassen: van plaats
        wisselen en splitsen

12. Optellen tot 20 mb-zb
12. Drie soorten plussommen oplossen : 12 + 7, 4 + 13 en 7 + 5;
      ook de corresponderende minsommen vinden
      1. Bijdoen tot 20, bijvoorbeeld 17 + ? = 20 en 4 + ? = 20.
      2. Omgekeerde sommen zoals 14 + 2 en 2 + 14.
      3. Bij sommen zoals 8 + 5 de passende stappen (+2 +3) aanklikken :
         8 + 2 = 10 en 10 + 3 = 13
      4. Drie soorten plussommen zoals 12 + 7 -- 4 + 13 -- 7 + 5 in
          stappen oplossen.
      5. Bij drie soorten plussommen de uitkomsten aanklikken.
      6. Bij plussommen telkens de twee corresponderende minsommen vinden,
          bijvoorbeeld bij 15 + 3 horen 18 - 3 en 18 - 15.
1.3   de betekenis kennen van: optellen, aftrekken, som en verschil
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        optellen en aftrekken tot 10
1.11 inzicht in de relaties tussen de bewerkingen.

13. Aftrekken tot 20 mb-zb
13. Drie soorten minsommen oplossen : 17 - 4, 17 - 13 en 17 - 9;
      ook de corresponderende plussommen vinden
      1. Afdoen tot 10 of 10 afdoen, bijvoorbeeld 17 - ? = 10 en 17 - 10 = ?.
      2. Minsommen die bij elkaar horen zoals 17 - 5 = 12 en 17 - 12 = 5.
      3. Bij minsommen zoals 13 - 5 de passende stappen (-3 -2) aanklikken :
         13 - 3 = 10 en 10 - 2 = 8
      4. Drie soorten minsommen zoals 17 - 5 -- 17 - 13 -- 17 - 9 in stappen oplossen.
      5. Bij drie soorten minsommen de uitkomsten aanklikken.
      6. Bij minsommen telkens de twee corresponderende plussommen vinden,
         bijvoorbeeld bij 15 - 3 horen 12 + 3 en 3 + 12.
1.3   de betekenis kennen van: optellen, aftrekken, som en verschil
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
        bij optellen en aftrekken tot 10
1.11 inzicht in de relaties tussen de bewerkingen.

14. Producten tot 20
14. Vermenigvuldigingen zoals 3 x 5 uitvoeren met verzamelingen en rijen plaatjes;
      commutativiteit toepassen.
      1. Producten tot 20 met verzamelingen.
      2. Producten tot 20 met rijen plaatjes.
      3. Gelijke producten tot 20 : commutativiteit toepassen.
      4. Oefeningen zoals 7 x 2 en 7 + 2 in confrontatie.
      5. Veertig producten tot 20 invullen met tijdopname.
1.11 inzicht in de relaties tussen de bewerkingen.
1.14 op concrete wijze de volgende eigenschappen van bewerkingen toepassen:
        van plaats wisselen

15. Delingen tot 20
15. Delingen zoals 18 : 3 en 3 in 18 uitvoeren met verzamelingen en rijen plaatjes;
      deler en quotiënt omwisselen
      1. Verdelingsdelingen tot 20 met verzamelingen.
      2. Verhoudingsdelingen tot 20 met verzamelingen.
     3.Verdelings- en verhoudingsdelingen met rij plaatjes.
     4. Deler en quotiënt omwisselen in delingen met rij plaatjes.
     5. Oefeningen zoals 15 - 3 - 3 - 3 - 3 - 3 = 0 associëren
         met de delingen 15 : 5 en 3 in 15.
     6. Delingen koppelen aan corresponderende producten.
     7. Oefeningen zoals 15 : 3 en 15 - 3 in confrontatie.
     8. Veertig quotiënten tot 20 invullen met tijdopname.
1.11 inzicht in de relaties tussen de bewerkingen.
1.14 op concrete wijze de volgende eigenschappen van bewerkingen toepassen:
       van plaats wisselen en verdelen

Programma-overzichten          Hoofdpagina

t w e e d e    k l a s
16. Honderdveld : TE
16. Op blind honderdveld getallen lokaliseren, vormen en lezen :
      T rood en E blauw, ook in het telwoord
      1. Welk getal zit achter het vraagteken ? Het cijfer van de eenheden of
          van de tientallen of beide cijfers invullen.
      2. Waar is de plaats van het gegeven getal ? Op een blind honderdveld
          in het juiste vakje klikken.
      3. Welke getallen staan rondom het gegeven getal ? Eén meer of minder
          en tien meer of minder dan het gegeven getal.
      4. Tellen per één en per tien : de getallen vormen door op de juiste cijfers
           te klikken.
      5. Tellen per één en per tien : op een blind honderdveld in het juiste vakje
          klikken.
1.1 tellen en terugtellen met eenheden

17. Honderdreeks
17. Stijgend en/of dalend tellen per 1 en per 10;
      oefeningen met spiegelbeeldgetallen zoals 27 en 72
      1. Stijgend tellen per 1 en per 10 door op de juiste
          getallen te klikken.
      2. Dalend tellen per 1 en per 10 door op de juiste
          getallen te klikken.
      3. Stijgend en dalend tellen per 1 en per 10 door op de
         juiste getallen te klikken.
     4. Het cijfer van de tientallen en van de eenheden invullen
         bij de visuele voorstelling van twee spiegelbeeldgetallen,
        bijvoorbeeld 27 -- 72.
     5. De spiegelbeeldgetallen invullen bij oefeningen zoals
         30 + 7 en 70 + 3 en ook 3 + 20 en 2 + 30.
     6. De spiegelbeeldgetallen invullen bij oefeningen zoals
        3T + 7E en 7T + 3E en ook 3E + 2T en 2E + 3T.
     7. De spiegelbeeldgetallen invullen bij oefeningen zoals
        37 = 30 + ? en 73 = ? + ?
     8. De spiegelbeeldgetallen invullen bij oefeningen zoals
        37 = ?T + ?E en 73 = ?T + ?E en ook 23 = ?E + ?T en 32 = ?E + ?T
1.1 tellen en terugtellen met eenheden.

18. T + T --- TE + T --- T + TE
18. Sommen zoals 30 + 50 associëren met de som 3 + 5;
      ook sommen zoals 57 + 30 en 40 + 28 oplossen
      1. Sommen zoals 50 + 30 koppelen aan de corresponderende som 5 + 3.
      2. Sommen zoals 60 + 20 oplossen in associatie met de corresponderende som 6 + 2
     3. Bij sommen zoals 70 + 20 met grafische voorstelling de uitkomsten invullen
     4. Bij sommen zoals 53 + 40 met grafische voorstelling de uitkomsten invullen
     5. Sommen zoals 50 + 30 en 43 + 20 en 40 + 27 koppelen aan de uitkomst
     6. Sommen zoals 50 + 20 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
     7. Sommen zoals 57 + 30 en 60 + 34 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
         optellen tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg gekozen
         wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en in de structuur
         van getallen: optellen tot honderd

19. T – T en TE – T
19. Aftrekkingen zoals 80 - 50 associëren met de aftrekking 8 - 5;
      ook aftrekkingen zoals 57 - 30 oplossen
      1. Aftrekkingen zoals 50 - 30 koppelen aan de corresponderende aftrekking 5 - 3.
      2. Aftrekkingen zoals 60 - 20 oplossen in associatie met de corresponderende
         aftrekking 6 - 2.
     3. Bij aftrekkingen zoals 70 - 20 met grafische voorstelling de uitkomsten invullen.
     4. Bij aftrekkingen zoals 53 - 40 met grafische voorstelling de uitkomsten invullen.
     5. Aftrekkingen zoals 50 - 30 en 43 - 20 koppelen aan de uitkomst.
     6. Aftrekkingen zoals 50 - 20 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
     7. Aftrekkingen zoals 57 - 30 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        aftrekken tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
        gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
        in de structuur van getallen: aftrekken tot honderd;

20. TE + E en E + TE zb
20. Optellingen zoals 32 + 5 oplossen met en zonder grafische voorstelling
      1. Optellingen zoals 72 + 3 met grafische voorstelling koppelen aan de
          corresponderende optellingen 2 + 3 en 3 + 2.
      2. Bij optellingen zoals 72 + 3 met grafische voorstelling de uitkomsten invullen.
      3. Optellingen zoals 72 + 3 oplossen in associatie met de corresponderende optelling 2 + 3.
     4. Bij optellingen zoals 45 + 3 en 3 + 45 de uitkomsten aanklikken.
     5. Bij optellingen zoals 43 + ? = 48 en ? + 45 = 48 de ontbrekende termen aanklikken.
     6. Optellingen zoals 72 + 5 en 2 + 34 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij optellen tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
       gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en in de
       structuur van getallen: optellen tot honderd

21. TE – E zb
21. Aftrekkingen zoals 87 - 5 oplossen met en zonder grafische voorstelling
      1. Aftrekkingen zoals 78 - 3 met grafische voorstelling koppelen aan de
          corresponderende aftrekking 8 - 3.
      2. Bij aftrekkingen zoals 78 - 3 met grafische voorstelling de uitkomsten invullen.
      3. Aftrekkingen zoals 78 - 3 oplossen in associatie met de corresponderende
          aftrekking 8 - 3.
     4. Bij aftrekkingen zoals 45 - 3 de uitkomst aanklikken.
     5. Bij aftrekkingen zoals 47 + ? = 43 de ontbrekende aftrekker aanklikken.
     6. Aftrekkingen zoals 79 - 5 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        aftrekken tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
        gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
        in de structuur van getallen: aftrekken tot honderd;

22. TE + T ↔ TE + E
22. Optellingen zoals 32 + 50 oplossen in confrontatie met optellingen
      zoals 32 + 5 met en zonder grafische voorstelling
      1. Optellingen zoals 56 + 30 en 56 + 3 koppelen aan de corresponderende
          optellingen 5 + 3 en 6 + 3.
      2. Optellingen zoals 63 + 20 en 63 + 2 oplossen in associatie met de
         corresponderende optellingen 6 + 2 en 3 + 2.
      3. Bij optellingen zoals 74 + 20 en 74 + 2 met grafische voorstelling
         de uitkomsten invullen.
     4. Bij optellingen zoals 53 + 40 en 53 + 4 respectievelijk het aantal
         tientallen of eenheden invullen.
     5. Bij optellingen zoals 54 + 30 in confrontatie met optellingen
         zoals 54 + 3 de uitkomsten invullen.
     6. Optellingen zoals 52 + 30 en 52 + 3 koppelen aan de uitkomst.
     7. Optellingen zoals 57 + 20 en 57 + 2 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        optellen tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
        gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
        in de structuur van getallen: optellen tot honderd

23. TE - T ↔ TE - E
23. Aftrekkingen zoals 89-50 oplossen in confrontatie met aftrekkingen zoals
      89-5 met en zonder grafische voorstelling
      1. Aftrekkingen zoals 56 - 30 en 56 - 3 koppelen aan de corresponderende
          aftrekkingen 5 - 3 en 6 - 3.
      2. Aftrekkingen zoals 63 - 20 en 63 - 2 oplossen in associatie met de
          corresponderende aftrekkingen 6 - 2 en 3 - 2.
      3. Bij aftrekkingen zoals 74 - 20 en 74 - 2 met grafische voorstelling
          de uitkomsten invullen.
      4. Bij aftrekkingen zoals 57 - 40 en 57 - 4 respectievelijk het
          aantal tientallen of eenheden invullen.
      5. Bij aftrekkingen zoals 59 - 30 in confrontatie met aftrekkingen
         zoals 59 - 3 de uitkomsten invullen.
      6. Aftrekkingen zoals 55 - 30 en 55 - 3 koppelen aan de uitkomst.
      7. Aftrekkingen zoals 57 - 20 en 57 - 2 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
         aftrekken tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
        gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en in
        de structuur van getallen: aftrekken tot honderd;

24. TE + TE zb
24. Optellingen zoals 34 + 52 met en zonder grafische voorstelling
      in twee stappen oplossen: 34+50 = 84 en 84+2 = 86
      1. Optellingen zoals 52 + 37 in t w e e stappen oplossen met grafische voorstelling.
      2. Optellingen zoals 52 + 37 in t w e e stappen oplossen zonder grafische voorstelling.
      3. Optellingen zoals 43 + 25 koppelen aan de tussenbewerkingen +20 en +5.
      4. Bij optellingen zoals 56 + 23 de tussenuitkomsten 76 en 79 invullen.
      5. Optellingen zoals 43 + 25 koppelen aan de uitkomst.
      6. Optellingen zoals 57 + 21 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        optellen tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
       gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
       in de structuur van getallen: optellen tot honderd

25. TE – TE zb
25. Aftrekkingen zoals 78 - 52 met en zonder grafische voorstelling
      in twee stappen oplossen: 78 - 50 = 28 en 28 - 2 = 26
      1. Aftrekkingen zoals 87 - 35 in t w e e stappen oplossen met grafische voorstelling.
      2. Aftrekkingen zoals 87 - 35 in t w e e stappen oplossen zonder grafische voorstelling.
      3. Aftrekkingen zoals 46 - 25 koppelen aan de tussenbewerkingen -20 en -5.
      4. Bij aftrekkingen zoals 56 - 24 de tussenuitkomsten 36 en 32 invullen.
      5. Aftrekkingen zoals 47 - 25 koppelen aan de uitkomst.
      6. Aftrekkingen zoals 57 - 21 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
        bij aftrekken tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
        gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
        in de structuur van getallen: aftrekken tot honderd;

26. TE + E = T
26. Optellingen zoals 32 + 8 oplossen met en zonder grafische voorstelling
      1. Optellingen zoals 72 + 8 met grafische voorstelling koppelen aan de
          corresponderende optellingen 2 + 8 en 8 + 2.
      2. Bij optellingen zoals 72 + 8 met grafische voorstelling de uitkomsten invullen.
      3. Optellingen zoals 72 + 8 oplossen in associatie met de corresponderende
          optelling 2 + 8.
      4. Bij optellingen zoals 47 + 3 en 3 + 47 de uitkomsten aanklikken.
      5. Bij optellingen zoals 47 + ? = 50 en ? + 47 = 50 de ontbrekende termen aanklikken.
      6. Bij optellingen zoals 32 + 8 -- 38 + 2 -- 2 + 38 -- 8 + 32 -- 38 + ? = 40 ...
          de uitkomst of de ontbrekende term invullen.
      7. Optellingen zoals 75 + 5 en 6 + 34 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
       optellen tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
       gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
       in de structuur van getallen: optellen tot honderd

27. TE – E = T
27. Aftrekkingen zoals 87 - 7 oplossen met en zonder grafische voorstelling
      1. Aftrekkingen zoals 76 - 6 met grafische voorstelling koppelen aan de
          corresponderende aftrekkingen 6 - 6.
      2. Bij aftrekkingen zoals 76 - 6 met grafische voorstelling de uitkomsten invullen.
      3. Aftrekkingen zoals 78 - 8 oplossen in associatie met de corresponderende
         aftrekking 8 - 8.
      4. Bij aftrekkingen zoals 47 - 7 de uitkomsten aanklikken.
      5. Bij aftrekkingen zoals 47 + ? = 40 de ontbrekende aftrekker aanklikken.
      6. Bij aftrekkingen zoals ? - 7 = 40 het ontbrekende aftrektal aanklikken.
      7. Aftrekkingen zoals 75 - 5 en 75 - 70 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        aftrekken tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
       gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
       in de structuur van getallen: aftrekken tot honderd;

28. TE + E en E + TE mb
28. Optellingen zoals 46 + 7 met en zonder grafische voorstelling
      in twee stappen oplossen: 46 + 4 = 50 en 50 + 3 = 53
      1. Optellingen zoals 8 + 7 in t w e e stappen oplossen met grafische voorstelling.
      2. Optellingen zoals 38 + 7 in t w e e stappen oplossen met grafische voorstelling.
      3. Optellingen zoals 78 + 5 in t w e e stappen oplossen zonder grafische voorstelling.
      4. Bij optellingen zoals 45 + 8 de groep tussenbewerkingen aanklikken.
      5. Bij optellingen zoals 45 + 7 de uitkomsten aanklikken.
      6. Optellingen zoals 76 + 5 en 5 + 76 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        optellen tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
        gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
        in de structuur van getallen: optellen tot honderd

29. TE – E mb
29. Aftrekkingen zoals 82 - 7 met en zonder grafische voorstelling
      in twee stappen oplossen: 82 - 2 = 80 en 80 - 5 = 75
      1. Aftrekkingen zoals 15 - 7 in t w e e stappen oplossen met grafische voorstelling.
      2. Aftrekkingen zoals 35 - 7 in t w e e stappen oplossen met grafische voorstelling.
      3. Aftrekkingen zoals 73 - 5 in t w e e stappen oplossen zonder grafische voorstelling.
      4. Bij aftrekkingen zoals 45 - 8 de groep tussenbewerkingen aanklikken.
      5. Bij aftrekkingen zoals 45 - 7 de uitkomsten aanklikken.
      6. Aftrekkingen zoals 76 - 8 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
        bij aftrekken tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
        gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
       in de structuur van getallen: aftrekken tot honderd;

30. TE + TE = T
30. Optellingen zoals 56+24 met en zonder grafische voorstelling
      in twee stappen oplossen: 56 + 20 = 76 en 76 + 4 = 80
      1. Optellingen zoals 52 + 38 in t w e e stappen oplossen met grafische voorstelling.
      2. Optellingen zoals 52 + 38 in t w e e stappen oplossen zonder grafische voorstelling.
      3. Optellingen zoals 43 + 27 koppelen aan de tussenbewerkingen +20 en + 7.
      4. Bij optellingen zoals 56 + 24 de tussenuitkomsten 76 en 80 invullen.
      5. Bij optellingen zoals 43 + 27 de uitkomsten aanklikken.
      6. Optellingen zoals 57 + 23 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
        bij optellen tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
        gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
        in de structuur van getallen: optellen tot honderd

31. T – TE
31. Aftrekkingen zoals 80 - 37 met en zonder grafische voorstelling
      in twee stappen oplossen: 80 - 30 = 50 en 50 - 7 = 43
      1. Aftrekkingen zoals 80 - 37 in t w e e stappen oplossen met grafische voorstelling.
      2. Aftrekkingen zoals 80 - 37 in t w e e stappen oplossen zonder grafische voorstelling.
      3. Aftrekkingen zoals 50 - 26 koppelen aan de tussenbewerkingen -20 en -6.
     4. Bij aftrekkingen zoals 50 - 26 de tussenuitkomsten 30 en 24 invullen.
     5. Bij aftrekkingen zoals 60 - 27 de uitkomsten aanklikken.
     6. Aftrekkingen zoals 60 - 27 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
        bij aftrekken tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
        gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
        in de structuur van getallen: aftrekken tot honderd;

32. TE + TE mb
32. Optellingen zoals 58 + 37 in twee of drie stappen oplossen
      met en zonder grafische voorstelling
      1. Optellingen zoals 58 + 37 in drie stappen oplossen met grafische voorstelling.
      2. Optellingen zoals 58 + 37 in twee stappen oplossen met grafische voorstelling.
      3. Optellingen zoals 58 + 37 in drie stappen oplossen met tussenbewerkingen
          zonder grafische voorstelling.
      4. Optellingen zoals 58 + 37 in twee stappen oplossen met tussenbewerkingen
          zonder grafische voorstelling.
      5. Optellingen zoals 58 + 37 in drie stappen oplossen met tussenuitkomsten
          zonder grafische voorstelling.
      6. Optellingen zoals 58 + 37 in twee stappen oplossen met tussenuitkomsten
          zonder grafische voorstelling.
      7. Optellingen zoals 58 + 37 koppelen aan de groep +30 +2 +5.
      8. Optellingen zoals 58 + 37 koppelen aan de groep +40 -3.
      9. Optellingen zoals 58 + 37 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
        bij optellen tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
       gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
       in de structuur van getallen: optellen tot honderd

33. TE – TE mb
33. Aftrekkingen zoals 85 - 37 in twee of drie stappen oplossen
      met en zonder grafische voorstelling
      1. Aftrekkingen zoals 85 - 37 in drie stappen oplossen met grafische voorstelling.
      2. Aftrekkingen zoals 85 - 37 in twee stappen oplossen met grafische voorstelling.
      3. Aftrekkingen zoals 85 - 37 in drie stappen oplossen met tussenbewerkingen
          zonder grafische voorstelling.
      4. Aftrekkingen zoals 85 - 37 in twee stappen oplossen met tussenbewerkingen
          zonder grafische voorstelling.
      5. Aftrekkingen zoals 85 - 37 in drie stappen oplossen met tussenuitkomsten
          zonder grafische voorstelling.
      6. Aftrekkingen zoals 85 - 37 in twee stappen oplossen met tussenuitkomsten
         zonder grafische voorstelling.
      7. Aftrekkingen zoals 85 - 37 koppelen aan de groep -30 -5 -2.
      8. Aftrekkingen zoals 85 - 37 koppelen aan de groep -40 +3.
      9. Aftrekkingen zoals 85 - 37 invullen in een reeks van 40 oefeningen.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
        bij aftrekken tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
        gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
        in de structuur van getallen: aftrekken tot honderd

34. Plus tot 100 : alles
34. Veertien types optellingen tot 100 : T+T -- T+E -- E+TE
      TE+E=T -- E+TE=T -- TE+T -- T+TE -- ...
      1. Bij 40 optellingen zoals 50 + 30 -- 50 + 3 -- 3 + 50 de sommen vormen door
          op de passende cijfers te klikken.
      2. Bij 40 optellingen zoals 63 + 5 -- 7 + 42 de sommen vormen door op de
         passende cijfers te klikken.
      3. Bij 40 optellingen zoals 53 + 20 -- 30 + 57 de sommen vormen door
          op de passende cijfers te klikken.
      4. Bij 40 optellingen zoals 62 + 35 de sommen vormen door op de
          passende cijfers te klikken.
      5. Bij 40 optellingen zoals 87 + 3 -- 6 + 34 de sommen vormen door
         op de passende cijfers te klikken.
      6. Bij 40 optellingen zoals 56 + 7 -- 8 + 64 de sommen vormen door
         op de passende cijfers te klikken.
      7. Bij 40 optellingen zoals 52 + 38 de sommen vormen door
         op de passende cijfers te klikken.
      8. Bij 40 optellingen zoals 37 + 29 de sommen vormen door
         op de passende cijfers te klikken.
      9. Bij 40 optellingen zoals 53 + 37 op de passende uitkomst klikken.
    10. Bij 40 optellingen van allerlei types op de passende uitkomst klikken.
    11. Bij 40 optellingen van allerlei types op de sommen klikken die
         45 -- 54 -- 56 -- 65 als uitkomst hebben.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
        bij aftrekken tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
        gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
        in de structuur van getallen: aftrekken tot honderd

35. Min tot 100 : alles
35. Negen types aftrekkingen tot 100 : T-T -- T-E -- TE-T -- TE-E=T
      TE-E zb -- TE-TE =T-- TE-TE zb -- ...
      1. Bij 40 aftrekkingen zoals 80 - 50 de minsommen vormen door
          op de passende cijfers te klikken.
      2. Bij 40 aftrekkingen zoals 50 - 4 de minsommen vormen door
          op de passende cijfers te klikken.
      3. Bij 40 aftrekkingen zoals 76 - 40 de minsommen vormen door
          op de passende cijfers te klikken.
      4. Bij 40 aftrekkingen zoals 87 - 7 de minsommen vormen door
          op de passende cijfers te klikken.
      5. Bij 40 aftrekkingen zoals 68 - 5 de minsommen vormen door
          op de passende cijfers te klikken.
      6. Bij 40 aftrekkingen zoals 53 - 23 de minsommen vormen door
          op de passende cijfers te klikken.
      7. Bij 40 aftrekkingen zoals 78 - 53 de minsommen vormen door
         op de passende cijfers te klikken.
      8. Bij 40 aftrekkingen zoals 52 - 7 de minsommen vormen door
         op de passende cijfers te klikken.
      9. Bij 40 aftrekkingen zoals 95 - 68 de minsommen vormen door
          op de passende cijfers te klikken.
    10. Bij 40 aftrekkingen zoals 28 - 8 -- 90 - 50 -- 98 - 68
         op de passende uitkomst klikken.
    11. Bij 40 aftrekkingen van allerlei types op de passende uitkomst klikken.
    12. Bij 40 aftrekkingen van allerlei types op de minsommen klikken die
         23 -- 32 -- 45 -- 54 -- 56 -- 65 als uitkomst hebben.
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
        bij aftrekken tot 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
       gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
       in de structuur van getallen: aftrekken tot honderd

36. Maaltafels van 4, 5 en 6
36. Maaltafels van 4, 5 en 6 oefenen : groepje meer of minder;
      op de productgetallen klikken of ze vormen.
      1. Bij 20 maaltafelproducten van 5 en de omkeringen
          op de passende productgetallen klikken.
      2. Bij 20 maaltafelproducten van 5 en de omkeringen de productgetallen vormen
          door op de passende cijfers te klikken.
      3. Bij 20 maaltafelproducten van 6 en de omkeringen de productgetallen vinden
         door een groepje meer te nemen.
      4. Bij 20 maaltafelproducten van 6 en de omkeringen
         op de passende productgetallen klikken.
      5. Bij 20 maaltafelproducten van 6 en de omkeringen de productgetallen vormen
         door op de passende cijfers te klikken.
      6. Bij 20 maaltafelproducten van 4 en de omkeringen de productgetallen vinden
         door een groepje minder te nemen.
      7. Bij 20 maaltafelproducten van 4 en de omkeringen
         op de passende productgetallen klikken.
      8. Bij 20 maaltafelproducten van 4 en de omkeringen de productgetallen vormen
         door op de passende cijfers te klikken.
      9. Bij 40 maaltafelproducten van 4, 5 en 6 en de omkeringen de productgetallen vormen
          door op de passende cijfers te klikken.
    10. Bij 40 productgetallen van de maaltafels van 4, 5 en 6 en de omkeringen
         de ontbrekende factor aanklikken.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        de maaltafels tot en met die van 10

37. Maaltafels van 2, 3 en 9
37. Maaltafels van 2, 3 en 9 oefenen : groepje meer of minder;
      op de productgetallen klikken of ze vormen.
      1. Bij 20 maaltafelproducten van 2 en de omkeringen
          op de passende productgetallen klikken.
      2. Bij 20 maaltafelproducten van 2 en de omkeringen de productgetallen vormen
         door op de passende cijfers te klikken.
      3. Bij 20 maaltafelproducten van 3 en de omkeringen de productgetallen vinden
         door een groepje meer te nemen.
      4. Bij 20 maaltafelproducten van 3 en de omkeringen
         op de passende productgetallen klikken.
      5. Bij 20 maaltafelproducten van 3 en de omkeringen de productgetallen vormen
         door op de passende cijfers te klikken.
      6. Bij 20 maaltafelproducten van 9 en de omkeringen de productgetallen vinden
         door een groepje minder te nemen.
      7. Bij 20 maaltafelproducten van 9 en de omkeringen
         op de passende productgetallen klikken.
      8. Bij 20 maaltafelproducten van 9 en de omkeringen de productgetallen vormen
          door op de passende cijfers te klikken.
      9. Bij 40 maaltafelproducten van 2 - 3 - 9 en de omkeringen de productgetallen
         vormen door op de passende cijfers te klikken.
   10. Bij 40 productgetallen van de maaltafels van 2 - 3 - 9
         en de omkeringen de ontbrekende factor aanklikken.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        de maaltafels tot en met die van 10

38. Maaltafels van 7 en 8
38. Maaltafels van 7 en 8 oefenen : 1of 2 groepjes meer of minder;
      op de productgetallen klikken of ze vormen.
      1. Bij 10 maaltafelproducten van 7 achtereenvolgens op de passende omkeringen
          en op de juiste productgetallen klikken.
      2. Bij 10 maaltafelproducten van 8 achtereenvolgens op de passende omkeringen
          en op de juiste productgetallen klikken.
      3. Bij 4 maaltafelproducten van 7 en 8 en de omkeringen de productgetallen vinden
          door een groepje meer te nemen.
      4. Bij 4 maaltafelproducten van 7 en 8 en de omkeringen de productgetallen vinden
          door een groepje minder te nemen.
      5. Bij de maaltafelproducten 7x7 -- 7x8 -- 8x7 -- 8x8 de productgetallen vinden
         door twee groepen meer of minder te nemen.
      6. Bij 20 maaltafelproducten van 7 en de omkeringen
          op de passende productgetallen klikken.
      7. Bij 20 maaltafelproducten van 7 en de omkeringen de productgetallen vormen
          door op de passende cijfers te klikken.
      8. Bij 20 maaltafelproducten van 8 en de omkeringen op
         de passende productgetallen klikken.
      9. Bij 20 maaltafelproducten van 8 en de omkeringen de productgetallen vormen
         door op de passende cijfers te klikken.
    10. Bij 40 maaltafelproducten van 7 en 8 en de omkeringen de productgetallen vormen
         door op de passende cijfers te klikken.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        de maaltafels tot en met die van 10

39. Productenveld-1
39. Op blind productenveld maaltafels oefenen en tellen met sprongen
      1. Tellen met sprongen van vijf en van tien. De getallen vormen door
          op de juiste cijfers te klikken.
      2. Tellen met sprongen van vier en van acht. De getallen vormen door
          op de juiste cijfers te klikken.
      3. Tellen met sprongen van drie en van zes. De getallen vormen door
          op de juiste cijfers te klikken.
      4. Tellen met sprongen van zeven en van negen. De getallen vormen door
          op de juiste cijfers te klikken.
      5. De maaltafels van 2, 4 en 8 plus de omkeringen. De getallen vormen
          door op de juiste cijfers te klikken.
      6. De maaltafels van 3, 6 en 9 plus de omkeringen. De getallen vormen
          door op de juiste cijfers te klikken.
      7. De maaltafels van 5, 10 en 7 plus de omkeringen. De getallen vormen
         door op de juiste cijfers te klikken.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        de maaltafels tot en met die van 10

40. Productenveld-2
40. Op blind productenveld groepjes van 3 of 4 gelijke producten zoeken
      plus moeilijke producten
      1. Welke producten zitten achter het vraagteken ? Drie of vier gelijke producten
         vormen door op de juiste cijfers te klikken.
      2. Waar is de plaats van het gegeven gelijke product ? Op een blind honderdveld
          in de juiste vakjes klikken.
      3. Welke producten zitten achter het vraagteken ? Moeilijke producten vormen door
         op de juiste cijfers te klikken.
      4. Waar is de plaats van het gegeven moeilijke product ? Op een blind honderdveld
          in het juiste vakje klikken.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        de maaltafels tot en met die van 10

41. Gelijke producten (48)
41. Bij producten die 3 of 4 keer voorkomen in de maaltafels
      de ontbrekende factoren invullen of aanklikken
      1. Bij 48 maaltafelproducten - die 3 of 4 keer voorkomen in de maaltafels -
         op de passende productgetallen klikken.
      2. Bij 38 maaltafelproducten de productgetallen vormen door
         op de passende cijfers te klikken.
      3. Bij 34 maaltafelproducten - die 3 of 4 keer voorkomen in de maaltafels -
         de ontbrekende factoren invullen
      4. Bij oefeningen zoals 12 = 2 x ? = ? x ? = ? x ? = ? x ? de ontbrekende
         factoren invullen : omkeren, halveren en verdubbelen.
      5. Bij 48 maaltafelproducten - die 3 of 4 keer voorkomen in de maaltafels -
         de ontbrekende factor aanklikken.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        de maaltafels tot en met die van 10

42. Overige producten (52)
42. Bij producten die 1 of 2 keer voorkomen in de maaltafels
      de ontbrekende factoren invullen of aanklikken
      1. Bij 52 maaltafelproducten - die 1 of 2 keer voorkomen in de maaltafels -
         op de passende productgetallen klikken.
      2. Bij 52 maaltafelproducten - die 1 of 2 keer voorkomen in de maaltafels -
         de productgetallen vormen door op de passende cijfers te klikken.
      3. Bij oefeningen zoals 28 = 4 x ? = ? x ? de ontbrekende factoren invullen.
      4. Bij 52 maaltafelproducten - die 1 of 2 keer voorkomen in de maaltafels -
         de ontbrekende factor aanklikken.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij
        de maaltafels tot en met die van 10

43. Alle maaltafels
43. Bij de maaltafels op de passende productgetallen klikken of ze vormen
      door op de passende cijfers te klikken
      1. Bij 40 producten van de maaltafels 5 en 10 op
          de passende productgetallen klikken.
      2. Bij 40 producten van de maaltafels 5 en 10 de productgetallen vormen
          door op de passende cijfers te klikken.
      3. Bij 40 producten van de maaltafels 3 en 6 op
         de passende productgetallen klikken.
      4. Bij 40 producten van de maaltafels 3 en 6 de productgetallen vormen
         door op de passende cijfers te klikken.
      5. Bij 40 producten van de maaltafels 4 en 8 op
         de passende productgetallen klikken.
      6. Bij 40 producten van de maaltafels 4 en 8 de productgetallen vormen
         door op de passende cijfers te klikken.
      7. Bij 40 producten van de maaltafels 7 en 9 op de passende
         productgetallen klikken.
      8. Bij 40 producten van de maaltafels 7 en 9 de productgetallen vormen
        door op de passende cijfers te klikken.
      9. Bij 60 producten van de maaltafels 2, 3, 4 en 5
         op de ontbrekende factor klikken.
   10. Bij 60 producten van de maaltafels 6, 7, 8 en 9
         op de ontbrekende factor klikken.
   11. Zestig maaltafelproducten invullen via het toetsenbord en met tijdopname.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten
       bij de maaltafels tot en met die van 10

Programma-overzichten          Hoofdpagina

d e r d e    k l a s
44. Deeltafels van 1, 2, 5 en 10
44. De deeltafels van 1 - 2 - 5 en 10 en de omkeringen oefenen,
      bijvoorbeeld 40 : 10 = 4 en 40 : 4 = 10.
      1. De deeltafel van 1 en de omkeringen koppelen aan de
          corresponderende vermenigvuldigingen.
      2. Bij de deeltafel van 1 en de omkeringen op de passende quotiënten klikken.
      3. De deeltafel van 2 en de omkeringen koppelen aan de
          corresponderende vermenigvuldigingen.
      4. Bij de deeltafel van 2 en de omkeringen op de passende quotiënten klikken.
      5. De deeltafel van 5 en de omkeringen koppelen aan de
         corresponderende vermenigvuldigingen.
      6. Bij de deeltafel van 5 en de omkeringen op de passende quotiënten klikken.
     7. De deeltafel van 10 en de omkeringen koppelen aan de
         corresponderende vermenigvuldigingen.
     8. Bij de deeltafel van 10 en de omkeringen op de passende quotiënten klikken.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten
        bij de maaltafels en de bijhorende deeltafels

45. Deeltafels van 3, 4 en 6
45. De deeltafels van 3 - 4 - 6 en de omkeringen oefenen,
      bijvoorbeeld 30 : 10 = 3 en 30 : 3 = 10.
      1. De deeltafel van 3 en de omkeringen koppelen aan
          de corresponderende vermenigvuldigingen.
      2. Bij de deeltafel van 3 en de omkeringen op de passende quotiënten klikken.
      3. De deeltafel van 4 en de omkeringen koppelen aan
          de corresponderende vermenigvuldigingen.
      4. Bij de deeltafel van 4 en de omkeringen op de passende quotiënten klikken.
      5. De deeltafel van 6 en de omkeringen koppelen aan
          de corresponderende vermenigvuldigingen.
      6. Bij de deeltafel van 6 en de omkeringen op de passende quotiënten klikken.
      7. Bij de deeltafel van 3 - 4 - 6 en de omkeringen op de passende quotiënten klikken.
      8. Bij de deeltafel van 3 - 4 - 6 en de omkeringen op de passende delers klikken.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten
        bij de maaltafels en de bijhorende deeltafels

46. Deeltafels van 7, 8 en 9
46. De deeltafels van 7 - 8 - 9 en de omkeringen oefenen,
      bijvoorbeeld 70 : 10 = 7 en 70 : 7 = 10.
      1. De deeltafel van 7 en de omkeringen koppelen aan de corresponderende vermenigvuldigingen.
      2. Bij de deeltafel van 7 en de omkeringen op de passende quotiënten klikken.
      3. De deeltafel van 8 en de omkeringen koppelen aan
          de corresponderende vermenigvuldigingen.
      4. Bij de deeltafel van 8 en de omkeringen op de passende quotiënten klikken.
      5. De deeltafel van 9 en de omkeringen koppelen aan
          de corresponderende vermenigvuldigingen.
      6. Bij de deeltafel van 9 en de omkeringen op de passende quotiënten klikken.
      7. Bij de deeltafel van 7 - 8 - 9 en de omkeringen op de passende quotiënten klikken.
      8. Bij de deeltafel van 7 - 8 - 9 en de omkeringen op de passende delers klikken.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij de maaltafels
        en de bijhorende deeltafels

47. Deeltallenveld-1
47. Op blind deeltallenveld quotiënten van deeltafels associëren
      met de corresponderende producten
      1. De deeltafels van 5 en van 10 plus de omkeringen : de deeltallen vormen
         door op de passende cijfers te klikken.
      2. De deeltafels van 2 en van 3 plus de omkeringen : de deeltallen vormen
         door op de passende cijfers te klikken.
      3. De deeltafels van 1 en van 4 plus de omkeringen : de deeltallen vormen
          door op de passende cijfers te klikken.
      4. De deeltafels van 6 plus de omkeringen : associëren met de corresponderende producten,
          bijvoorbeeld 24 : 6 = 4, want 24 = 6 x 4.
      5. De deeltafels van 7 plus de omkeringen : associëren met de corresponderende producten,
         bijvoorbeeld 21 : 7 = 3, want 21 = 7 x 3.
      6. De deeltafels van 8 plus de omkeringen : associëren met de corresponderende producten,
          bijvoorbeeld 24 : 8 = 3, want 24 = 8 x 3.
      7. De deeltafels van 9 plus de omkeringen : associëren met de corresponderende producten,
          bijvoorbeeld 27 : 9 = 3, want 27 = 9 x 3.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij de maaltafels
        en de bijhorende deeltafels

48. Deeltallenveld-2
48. Op blind deeltallenveld gelijke en moeilijke deeltallen aanklikken
      1. Gelijke deeltallen zoals bij 20 : 10 = 2 -- 20 : 2 = 10 -- 20 : 4 = 5 -- 20 : 5 = 4
         vormen door op de passende cijfers te klikken.
      2. Het vakje van gelijke deeltallen zoals bij 20 : 10 = 2 -- 20 : 2 = 10 -- 20 : 4 = 5
         20 : 5 = 4 aanklikken op het blind deeltallenveld.
      3. Moeilijke deeltallen zoals bij 49 : 7 = 7 -- 81 : 9 = 9 -- 56 : 7 = 8 -- 56 : 8 = 7
          vormen door op de passende cijfers te klikken.
      4. Het vakje van moeilijke deeltallen zoals bij 49 : 7 = 7 -- 81 : 9 = 9 -- 56 : 7 = 8
          56 : 8 = 7 aanklikken op het blind deeltallenveld.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij de maaltafels
        en de bijhorende deeltafels

49. Honderdveld : deeltallen
49. Op honderdveld getallen aanklikken die deelbaar zijn door 2 t.e.m. 9
      plus getallen met rest 1 of 3
      1. Op het honderdveld achtereenvolgens de getallen aanklikken die deelbaar zijn
         door 2, 3, 4 of 5.
      2. Op het honderdveld achtereenvolgens de getallen aanklikken die deelbaar zijn
        door 6, 7, 8 of 9.
      3. Op het honderdveld achtereenvolgens de getallen aanklikken die 1 als rest hebben
         bij deling door 3, 4, 5 of 6.
     4. Op het honderdveld achtereenvolgens de getallen aanklikken die 3 als rest hebben
        bij deling door 7, 8, 9 of 10.
1.3    de betekenis kennen van: delen, deler, quotiënt en rest.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij de maaltafels
        en de bijhorende deeltafels

50. Gelijke deeltallen
50. Gelijke deeltallen zoals 12 : 2 = 6 -- 12 : 6 = 2 -- 12 : 3 = 4 -- 12 : 4 = 3 oefenen.
      1. Bij 13 deeltallen - die 3 of 4 keer voorkomen in de deeltafels -
         op de passende quotiënten klikken.
      2. Bij 13 deeltallen - die 3 of 4 keer voorkomen in de deeltafels -
         op de passende delers klikken.
      3. Bij 13 deeltallen - die 3 of 4 keer voorkomen in de deeltafels -
         op de passende deeltallen klikken.
      4. Bij 9 deeltallen - die 3 of 4 keer voorkomen in de deeltafels -
         de deeltallen vormen door op de passende cijfers te klikken.
      5. Delingen zoals 24 : 4 -- 24 : 6 -- 24 : 3 -- 24 : 8 koppelen aan
         de corresponderende vermenigvuldigingen 4 x 6 -- 6 x 4 -- 3 x 8 -- 8 x 3.
      6. Vermenigvuldigingen zoals 4 x 6 -- 6 x 4 -- 3 x 8 -- 8 x 3 koppelen aan
         de corresponderende delingen 24 : 4 -- 24 : 6 -- 24 : 3 -- 24 : 8.
     7. Bij 9 deeltallen - die 3 of 4 keer voorkomen in de deeltafels -
        de delers, de quotiënten én de corresponderende factoren intikken
     8. Bij 13 deeltallen - die 3 of 4 keer voorkomen in de deeltafels -
        de deeltallen, de delers en de quotiënten intikken
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij de maaltafels
        en de bijhorende deeltafels

Programma-overzichten          Hoofdpagina

v i e r d e    t o t    e n    m e t    z e s d e    k l a s
51. Oefeningen zoals 23 = ? x 5 + ?
51. Getallen situeren tussen twee maaltafelproducten en één factor plus term vinden.
      1. Oefeningen zoals 6 x 4 + 3 = ? situeren tussen twee maaltafelproducten.
      2. Oefeningen zoals 6 x 4 + 3 = ? oplossen met tussenstappen.
     3. Oefeningen zoals 27 = ? x 4 + ? situeren tussen twee maaltafelproducten.
     4. Oefeningen zoals 27 = ? x 4 + ? oplossen met tussenstappen.
     5. Oefeningen zoals 27 = ? x 4 + ? in reeksen oplossen zonder tussenstappen.
1.6   de symbolen = + - x : in bewerkingen noteren en hanteren
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij de maaltafels
        tot en met die van 10

52. Delen met rest : 23 : 5 = ? / rest ?
52. Getallen tot 100 delen door 1 tot en met 10 met rest
      en daarbij steunen op de maal- en deeltafels.
      1. Oefeningen zoals 32 : 5 associëren met het meest nabije deeltafelquotiënt,
          dus 30 : 5.
      2. Oefeningen zoals 32 : 5 oplossen met tussenstappen.
      3. Oefeningen zoals 32 : 5 in reeksen oplossen zonder tussenstappen.
     4. Oefeningen zoals 32 : 5 associëren met oefeningen zoals 5 x 6 + 2.
     5. Oefeningen zoals 5 x 6 + 2 associëren met oefeningen zoals 32 : 5.
1.3   de betekenis kennen van: product, quotiënt en rest.
1.6   de symbolen = + - x : in bewerkingen noteren en hanteren
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij de maaltafels
       en de bijhorende deeltafels

53. Oefeningen zoals 2 x 40 en het dubbel van 28
53. Oefeningen zoals 2 x 40 en het dubbel van 28 oplossen met en
      zonder tussenstappen.
      1. Oefeningen zoals 4 x 20 en 30 x 2 oplossen met tussenstappen.
      2. Oefeningen zoals 4 x 20 en 30 x 2 in reeksen oplossen zonder tussenstappen.
     3. Oefeningen zoals h e t d u b b e l v a n 28 oplossen met tussenstappen.
     4. Oefeningen zoals h e t d u b b e l v a n 28 in reeksen oplossen zonder tussenstappen.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij de maaltafels
       tot en met die van 10

54. Oefeningen zoals 21x / 19x / 3 x 27 / 16 x 4
54. Vermenigvuldigingen met factor 19 of 21 en oefeningen. zoals 3x27 en 16x4
      oplossen met en zonder tussenstappen.
      1. Oefeningen zoals 4 x 21 en 31 x 3 oplossen met tussenstappen.
      2. Oefeningen zoals 5 x 19 en 29 x 3 oplossen met tussenstappen.
      3. Oefeningen zoals 4 x 21 -- 5 x 19 -- 31 x 3 -- 29 x 3 in reeksen oplossen
         zonder tussenstappen.
      4. Oefeningen zoals 3 x 27 oplossen met tussenstappen.
      5. Oefeningen zoals 16 x 4 oplossen met tussenstappen.
     6. Oefeningen zoals 3 x 27 en 16 x 4 in reeksen oplossen zonder tussenstappen.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij de maaltafels
       tot en met die van 10

55. Oefeningen zoals 60 : 3 en 60 : 30 / de helft van 76
55. Oefeningen zoals 60 : 3, 60 : 30 en de helft van 76 oplossen
      met en zonder tussenstappen.
      1. Oefeningen zoals 60 : 3 en 60 : 30 oplossen met tussenstappen.
      2. Oefeningen zoals 60 : 3 en 60 : 30 in reeksen oplossen zonder tussenstappen.
     3. Oefeningen zoals d e h e l f t v a n 68 oplossen met tussenstappen.
     4. Oefeningen zoals d e h e l f t v a n 76 in reeksen oplossen zonder tussenstappen.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij de deeltafels.

56. Breuk van een getal
56. Oefeningenzoals 16:8 en 2 in 16 associëren met 1/8 van 16 en 3/8 van 16 oplossen
      met en zonder tussenstappen.
     1. Oefeningen zoals 16 : 8 associëren met 1/8 van 16.
     2. Oefeningen zoals 2 in 16 associëren met 1/8 van 16.
     3. Oefeningen zoals 3/8 van 16 oplossen met tussenstappen.
     4. Oefeningen zoals 3/8 van 16 in reeksen oplossen zonder tussenstappen.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij de maaltafels
        en de bijhorende deeltafels
1.6   de symbolen = + - x : in bewerkingen noteren en hanteren
1.11 inzicht in de relaties tussen de bewerkingen.

57. Oefeningen zoals 84 : 7 en (70 + 14) : 7
57. Oefeningen zoals 84 : 7 en (70+14) : 7 en 72 : 3 en (60+12) : 3
      oplossen met en zonder tussenstappen.
      1. Oefeningen zoals 84 : 7 oplossen met de tussenstappen 70 : 7 en 14 : 7.
      2. Oefeningen zoals 72 : 3 oplossen met de tussenstappen 60 : 3 en 12 : 3.
      3. Oefeningen zoals 84 : 7 en 72 : 3 in reeksen oplossen zonder tussenstappen.
      4. Oefeningen zoals 84 : 7 en 72 : 3 koppelen aan de passende uitkomsten.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij de maaltafels
       en de bijhorende deeltafels
1.14 op concrete wijze de volgende eigenschappen van bewerkingen toepassen:
       splitsen en verdelen.

58. Oefeningen zoals 70 x 3 en 6 x 40
58. Oefeningen zoals 7 x 30, 70 x 3 en 70 x 30 oplossen in associatie met 7 x 3.
      1. Oefeningen zoals 4 x 60 oplossen in associatie met 4 x 6.
      2. Oefeningen zoals 30 x 7 oplossen in associatie met 3 x 7.
      3. Oefeningen zoals 30 x 70 oplossen in associatie met 3 x 7.
     4. Bij oefeningen zoals 4 x 60, 30 x 7 en 30 x 70 de uitkomsten invullen.
1.10 in staat zijn tot onmiddellijk geven van correcte resultaten bij de maaltafels
        tot en met die van 10
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
        gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
        in de structuur van getallen: vermenigvuldigen naar analogie met de tafels.

59. Oefeningen zoals 630 : 9 en 630 : 70
59. Oefeningen zoals 630 : 9, 630 : 90 en 6300 : 90 oplossen in associatie met 63 : 9.
      1. Oefeningen zoals 420 : 7 oplossen in associatie met 42 : 7.
      2. Oefeningen zoals 210 : 70 oplossen in associatie met 21 : 7.
      3. Oefeningen zoals 6300 : 90 oplossen in associatie met 63 : 9.
      4. Bij oefeningen zoals 420 : 7, 210 : 70 en 6300 : 90 de uitkomsten invullen.
1.13 opgaven uit het hoofd uitvoeren waarbij een doelmatige oplossingsweg
       gekozen wordt op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en
       in de structuur van getallen: delen naar analogie met de tafels.

Programma-overzichten          Hoofdpagina

 a l l e    k l a s s e n
60. Vijf-minuten-toetsen-TRAINING
60. Test van 8 vijf-minuten-toetsen van elementaire bewerkingen :
      plus-, min-, maal- en deeltafels en splitsingen
      1. Splitsingen tot 10
      2. Plustafels tot 10
      3. Mintafels tot 10
      4. Plustafels tot 20
      5. Mintafels tot 20
      6. Maaltafels tot 10
      7. Deeltafels tot 10
      8. Splitsingen tot 100
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
        bij optellen en aftrekken tot 10 en bij de tafels van vermenigvuldiging
        tot en met de tafels van 10 en de bijhorende deeltafels.

61. Vijf-minuten-toetsen-TEST
61. Test van 8 vijf-minuten-toetsen van elementaire bewerkingen :
      plus-, min-, maal- en deeltafels en splitsingen
      1. Splitsingen tot 10
      2. Plustafels tot 10
      3. Mintafels tot 10
      4. Plustafels tot 20
      5. Mintafels tot 20
      6. Maaltafels tot 10
      7. Deeltafels tot 10
      8. Splitsingen tot 100
1.10 in staat zijn tot een onmiddellijk geven van correcte resultaten
        bij optellen en aftrekken tot 10 en bij de tafels van vermenigvuldiging
        tot en met de tafels van 10 en de bijhorende deeltafels.

Programma-overzichten          Hoofdpagina